|
De drie Dalton principes in het kortVrijheid/verantwoordelijkheid ; zelfstandigheid en samenwerken
zelfstandigheid
samenwerken
Om zelfstandig werken goed te kunnen realiseren op onze school zijn een aantal zaken van belangDe leerlingen:
De leerkracht kan:
Het materiaal is:
De afspraken:
We hebben het stilteteken ingevoerd: eén hand in de lucht, en afhankelijk van de leeftijd van de kinderen de wijsvinger van de andere hand. op de lippen. De kinderen moeten dit dan ook doen, zodat het stil wordt en de leerkracht iets kan zeggen. Zo vraagt niet alleen de leerkracht de kinderen, maar vragen ook de kinderen elkaar om stilte!. Dit helpt de kinderen medeverantwoordelijk te maken.
Zelfstandig werkenIn elke groep wordt gewerkt met uitgestelde aandacht (zie uitgestelde aandacht). Tijdens de werkles wordt er zelfstandig gewerkt, dit betekent dat de kinderen de opdrachten zonder instructie kunnen maken. Gedurende de dag zijn echter wel instructiemomenten ingebouwd en ook zijn er vaste tijdstippen voor de gezamenlijke activiteiten ingepland. De instructies kunnen gelden voor alle kinderen, maar het kan ook zijn dat met bepaalde kinderen is afgesproken dat zij de instructie facultatief kunnen volgen. Kinderen mogen tijdens de les elkaar om hulp vragen. Mocht een kind rustig door willen blijven werken en niet gestoord willen worden, dan kan een kind van groep 3 of hoger zijn blokje ‘op rood zetten’. Het mag dan zelf ook niet een ander kind storen. Als het met een vraag zit, zet het kind z’n blokje met het vraagteken naar boven. Om ervoor te zorgen, dat kinderen snel aan de slag gaan maken de leerkrachten een motivatierondje om te kijken of de leerlingen hun werk goed hebben opgepakt. Bij dit rondje mogen de kinderen geen inhoudelijke vragen stellen. Bij een combinatiegroep gaat dit tussen de twee uitlegronden door. Heeft het kind behoefte aan uitleg, dan kan het zijn blokje (met zijn nummer) op de tafel van de leerkracht zetten.
HandelingswijzersDit zijn kaarten met foto’s. Deze beelden bepaalde handelingen uit, zoals het opruimen van de poppenhoek, het maken van puzzels of het strikken van veters. Als kinderen dergelijke handelingen moet verrichten, kan het zo’n handelingswijzer pakken om te kijken hoe het ook al weer moet. Oudere kleuters kunnen nieuwkomers met een handelingswijzer in de hand handelingen aanleren.
Uitgestelde aandachtIn iedere groep wordt met uitgestelde aandacht gewerkt. Zodra de leerkracht de kinderen aan het werk zet, maakt deze de leerlingen met symbolen duidelijk, dat hij/ zij zelf niet gestoord wil worden. Bij de kleuters zet de juf de knuffel op haar stoel. Zodra de juf vindt, dat de kinderen een beroep op haar mogen doen, haalt ze de knuffel van haar stoel af.
Vanaf mei groep 2 gebruiken we de stoplichtkleuren. Vanaf groep 3 gebruiken we hiervoor echte stoplichten. De kleuren betekenen:
Kinderen met blokkades (“ik snap het niet”) kunnen om te beginnen het probleem eerst goed verkennen:
Verder kan het kind, voordat het de leerkracht inschakelt, hulp vragen aan een hulpmaatje of zonodig de opgave overslaan.
De leerkracht is tijdens de werkles doorgaans beschikbaar voor de kinderen. Mocht een kind uitleg nodig hebben en de leerkracht is niet meteen beschikbaar, dan kan het kind een blokje met zijn naam op de instructietafel neerzetten.
Tijdbesteding werklesDe instructie staat centraal in ons onderwijs. De instructielessen zijn ingebed in de weektaak. Via een aanduiding op de taak ziet een leerling of de les leerkrachtgebonden is ( instructieles / groepsles) of een les waarbij de leerling zelf aan de slag kan gaan. De hele dag nu zijn de leerlingen van groep 3 t/m 8 bezig met de taak. Het dag- en/of weekprogramma is helemaal uitgeschreven op de weektaak.
WeekritmeAlle groepen starten in principe de weektaak op maandag. De kinderen dienen vrijdagmiddag al hun taken af te hebben, tenzij duidelijk is gesteld dat er meerdere weken aan de taak gewerkt mag worden. De rekenopdrachten moeten doorgaans op dezelfde dag af zijn. Sommige taalopdrachten moeten eerder in de week gemaakt zijn.
DagkleurenDe dagkleuren worden gebruikt als communicatiemiddel. Omdat iedere dag in de week een eigen kleur heeft, kan die kleurcode op verschillende manieren worden toegepast in de organisatie van de groep. De dagkleuren liggen vast. In iedere groep van de school wordt op een duidelijk herkenbare manier aangegeven welke de dagkleuren zijn. In de kleutergroepen hangen banieren met de zeven dagen van de week. Dagdelen, waarop de kinderen vrij zijn, hebben we met een witte kleur aangegeven. De betreffende dag geven we bij de kleuters aan met een knijper. Op de taakbrieven wordt met de dagkleuren gepland en afgetekend.
Maandag (rood) dinsdag (blauw) woensdag (oranje) donderdag (groen) vrijdag (geel)
De taakVanaf het moment dat de kinderen op school komen, werken ze met taken. Soms hebben nieuwe leerlingen behoefte om een weekje te wennen. Daar komen we aan tegemoet. De ontwikkeling loopt op van een taakje van één of een paar opdrachten per dag tot een volledige weektaak in groep 8.
Dag- en weektakenDe ‘dag- of weektaak’ is een formulier, waarop de opdrachten voor de kinderen staan. Deze overzichten zijn niet voor alle groepen of alle kinderen hetzelfde. We houden rekening met wat kinderen over het algemeen aankunnen. Zo werken de kleuters met een weektaak, waarop per week vijf opdrachten staan: voor iedere dag een. Er zijn kleuters die ervoor kiezen om in het begin van de week twee taken per dag te maken, zodat ze op vrijdag de hele dag kunnen spelen. In groep 3, 4 en 5 krijgen de kinderen ook een weektaak, maar die is in feite een verzameling dagtaken. Vanaf groep 6 zijn de taken per vakgebied geordend.
GebruikDoor het bundelen van alle taken in de vorm van een weektaak krijgen de kinderen een beeld van de hoeveelheid werk, de samenstelling van een taak, de soorten opdrachten en de verschillende vakgebieden. Omdat het werk steeds met dagkleuren wordt afgetekend, wordt het inzicht in en het overzicht van het weekritme versterkt. Hier hebben kinderen houvast aan. Als de kinderen een taak af hebben, kleuren ze het met de dagkleur af. Vanaf eind groep 5, als de taken per vak geordend zijn, leren we de kinderen een weekplanning te maken die ze met de dagkleuren aangeven. Hierdoor krijgen ze nog meer gelegenheid het werk naar eigen inzicht in te delen. Op de weektaak bieden we de kinderen een zo ruim mogelijke variatie aan in de vakgebieden, waarbinnen ieder kind op eigen niveau, in eigen tempo en volgens een zelf bepaalde volgorde het werk binnen een bepaalde tijd maakt. De kinderen kunnen invullen waarin ze zich in de loop van de week willen verbeteren. Ze kunnen ook aangeven wat ze nog meer hebben gedaan dan wat er op de taak stond. Op de weektaken staan enkele keuzeopdrachten, waarvan de kinderen er minimaal één moeten maken. Vanaf groep 3 vullen de kinderen in de loop van de week het reflectiegedeelte in. De leerkracht neemt de taken in en voorziet ze van commentaar, waarna de kinderen de taken terug krijgen.
Kinderen zijn niet hetzelfdeBij het maken van een weektaak houden we rekening met tempo- en/of niveauverschillen bij de kinderen, maar ook met de behoefte aan structuur van het individuele kind. Er zijn kinderen die de taken van de week niet goed kunnen overzien, ondanks dat de deze met de kleur van de dag hebben ingekleurd. Voor deze kinderen bundelen we de vakken per dag. Daarbij gaan we uit van de vakken die op die dag aan de orde komen. In groep 3 hebben de juffen iets vernuftigs bedacht. Enkele kinderen kunnen niet overzien wat ze eerst of het laatst moeten doen. De juf plakt de losse opdrachten met klittenband op de tafel. Het kind werkt eerst de bovenste opdracht af, verwijdert deze door het los te trekken van de tafel en levert deze strook met zijn werk in bij de juf. Vervolgens maakt het de tweede opdracht, verwijdert de strip van de tafel enzovoort.
Ander werk of minder werkWe hebben de taken afgestemd op de mogelijkheden van de kinderen. Of een kind tot de ster-, maan- of zon-groep behoort, ieder kind kan zijn taak per vak aflezen.
Meer dan alleen takenDe weektaak is er niet alleen maar voor om aan te geven welke taken de kinderen moeten maken. We geven ook aan voor welke opdrachten de kinderen klassikale instructie krijgen. Of dat we een opdracht allemaal tegelijk maken, zoals toetsen. Ook geven we aan dat een kind een taak op zijn eigen tijd mag maken op voorwaarde dat het op tijd af moet zijn. Dit geven we aan met het woord ‘werkles’. Op het bord geven we met een dagrooster aan op welk moment van de dag de instructies plaatsvinden. Dit dagrooster bespreken we aan het begin van de dag. Het is ook mogelijk om op de weektaak aan te geven welke opdrachten door de leerlingen zelf gecorrigeerd moeten worden. In groep 4 geven we dit met een stip aan.
Basisstof, verrijkingsstof en vrije takenOp de weektaak staan de basis- en verrijkingsstof aangegeven. We verwachten van de kinderen, dat ze de basisstof in ieder geval afhebben, tenzij we het met individuele kinderen anders afspreken. Als de kinderen hiermee klaar zijn werken ze verder aan een verrijkingstaak of een vrije taak naar eigen keuze. Op de weektaak staan suggesties voor verrijkingstaken. Vrijheid betekent niet alleen dat het kind de volgorde mag bepalen binnen de taak, maar ook dat het voor een deel zelf de inhoud van het leren mag kiezen. Vrije taken mogen ‘anders dan anders’ zijn. Ze mogen aansluiten bij de speciale interesses van de kinderen. Vrije taken zijn bij ons niet “Even iets voor jezelf doen”, of uitloopwerk voor de snelle kinderen of “even een spelletje doen”. Ook deze taken worden ingekleurd op het taakformulier. KleutersDe kleuters werken ook met weektaken. Op hun werkbrief staan vijf opdrachten met icoontjes aangegeven. Eén hokje kan leeg zijn. Dat betekent dat het kind een opdracht kan kiezen. Voor de zon-kinderen maakt de juf een extra briefje. Als een kind een keuzeopdracht heeft gemaakt, schrijft de juf op om welke opdracht het ging. Dit kunnen verschillende opdrachten zijn: maatwerk, piccolo, mini-loco, een rekenspel, de reuzenkrokodil of een werkblad. Voor de ster-kinderen vermeldt de juf aanvullende opdrachten op de weektaak. De maatjesopdrachten worden met een M aangegeven. Aan het einde van de week krijgen enkele kinderen de gelegenheid over hun werk na te praten.
Keuzematerialen en eigen opdrachtenVoor de kleuters hebben we kleuterontwikkelingsmaterialen. In de groep 3 t/m 8 kunnen de kinderen uit het onderstaande kiezen.
Huishoudelijke taakIn groep 1 t/m 3 werken we met zgn. “hulpjes”. Dit zijn de kinderen die volgens een rooster naast de juf mogen zitten. In groep 1 en 2 mogen ze de kring tellen, een liedje kiezen en zeggen welke groep als eerste hun drinken mag pakken. In groep 3 zetten de hulpjes van de juf de computers aan, zetten de ramen open en geven op maandag de planten water.
Vanaf groep 4 werken we met klassendiensten. Dit doen we op volgorde van de leerlingenlijst. Voorbeelden van de taken van de klassendienst zijn:
TaakadministratieHet werken aan de taak levert drie soorten gegevens op:
ProcesgegevensHet dagelijks werk van een groep leerlingen levert vooral gegevens op over het werkproces. Kinderen geven zelf aan welke planning ze hebben toegepast. Vervolgens tekenen ze per dag af welke onderdelen ze hebben afgewerkt en of de planning is gehaald. De onderdelen zijn (zelf) nagekeken en zo nodig door de leerkracht van een beoordeling voorzien. Kleuters die hun taakkaart afgewerkt hebben verdienen een sticker. In de hogere groepen controleren we de taakbladen steekproefsgewijs. De leerlingen tekenen per vak op de weektaak af, wat ze gemaakt hebben. Dit doen ze ook op de klassikale aftekenlijst in groep 5 t/m 8.
ObservatiegegevensHet werkproces leidt ook tot observatiegegevens die de leerkracht zelf zal moeten vastleggen. Juist de gegevens over werkhouding, de mate van zelfstandigheid en de verantwoordelijkheid, het vermogen tot samenwerken, de nauwkeurigheid, leveren een beeld op van de ontwikkeling die een kind doormaakt. Het door de jaren heen op het rapport en op de EGGO-kaarten vastleggen van die rode draad is van groot belang voor het werken aan een doorlopend ontwikkelingsproces voor ieder kind.
ToetsgegevensDe toetsgegevens leveren informatie op over de feitelijke stand van zaken op een bepaald moment. Er worden methodegebonden en methodeonafhankelijke (CITO) toetsen afgenomen.
NB. Na de uitslag van een methodegebonden toets wordt bepaald hoe het leerproces vervolgd zal worden. Er volgt een (korte) periode van re-teaching of van verrijking. Met rekenen werken we aan het einde van een blok met herhalingsbladen. Op basis hiervan bepalen we het re-teachingsprogramma voor de kinderen. Het blok sluiten we af met een eindtoets.
De uitslag van een Cito-toets wordt vergeleken met de methodegebonden toetsen. Bij een opvallend verschil wordt in overleg tussen IB’er en leerkracht actie ondernomen. Keuzedienblad bij de kleutersDoelHet keuzedienblad is niets meer dan een dienblad, waarop voorwerpen liggen die symbool staan voor een bepaalde activiteit. Bij het verdelen van de kinderen over de hoeken, pakt het kind het voorwerp dat bij een activiteit hoort. Daardoor weten andere kinderen of er nog plaats bij een bepaalde activiteit is. Op het blad is te zien hoeveel leerlingen maximaal een bepaalde activiteit kunnen doen. Op het dienblad kunnen zandzakjes, lepeltjes, krijtjes, boeken, blokjes, penselen e.d. liggen.
GebruikWil een kind in een bepaalde activiteit doen, dan pakt het het bijbehorende voorwerp. Als iedereen gekozen heeft, legt hij het voorwerp op het blad terug. De voorwerpen kunnen betrekking hebben op taken van de weektaak. Wanneer een taak af is, kleuren de kleuters het rondje onder het pictogram van de taak in de dagkleur. Ondertussen heeft de leerkracht de tijd om met een klein groepje gericht te werken of een observatie te doen.
DagritmepakketDe kleutergroepen gebruiken het dagritmepakket. Het pakket bestaat uit een serie kaarten met een tekening van de verschillende activiteiten in de groep. Met behulp van het dagritmepakket is het mogelijk ook voor jonge kinderen de dagindeling inzichtelijk te maken. Door de opeenvolging van de activiteiten te visualiseren, raken de kinderen vertrouwd met een dagindeling en de verschillende onderdelen waaruit een dag is opgebouwd. Het geheel geeft vooral de jongste kleuters houvast en een gevoel van veiligheid en rust.
De kaarten hangen aan de muur. De ochtend bestaat uit 7 of 8 onderdelen (kaarten), de middag uit 3 of 4.
Het gebruik van dagritmekaarten is onderdeel van het klassenmanagement en maakt het mogelijk om kinderen op een eenvoudige manier te kunnen betrekken bij de organisatie en het geeft inzicht in de volgorde van activiteiten. Op deze manier ontwikkelen we bij hen een gevoel van medeverantwoordelijk zijn, dat we in de loop van de jaren willen bevorderen. Het dagritmepakket is naast de dagkleuren een van de middelen om kinderen al in een vroeg stadium te laten oefenen met de opbouw van een taakbewuste houding.
De dagritmekaarten zijn aanwezig voor:
Vanaf groep 4Vanaf groep 4 werken we niet meer met dagritmekaarten. In deze groepen staat dagelijks het dagrooster op het bord, zodat de kinderen de structuur van de dag kunnen zien.
Geven van instructieAlle leerlingen volgen de basisinstructie, behalve:
Wat kinderen al zelf kunnenDe kinderen lezen teksten van wereldoriëntatie en dergelijke zelfstandig. Dat doen we al vanaf groep 3. Dat kan individueel, in tweetallen of bij de leerkracht aan de instructietafel.
De instructietafelGroep 1 en 2Bij de kleuters fungeert de centrale tafel als instructietafel. Daarnaast ondersteunt kinderen aan een tafelgroep, maar kan wisselen.
Vanaf groep 3Vanaf groep 3 kennen we instructietafels. Hieromheen staan vier stoelen of krukken en de stoel van de leerkracht. De tafel staat midden voor de klas. Deze tafel gebruiken de leerkrachten voor de verlengde instructie, de groepsinstructie of individuele hulp. Het bureau van de leerkracht dient om materiaal en persoonlijke spullen van de leerkracht op te leggen. Het bureau staat in de marge van het lokaal. We helpen geen kinderen aan het bureau.
WerkplekkenDe kinderen mogen als de situatie het toelaat een eigen werkplek kiezen. Op deze manier brengen we de kinderen verantwoordelijkheidsgevoel bij. Het biedt een goede gelegenheid om maatjesopdrachten uit te voeren zonder dat de overige kinderen gestoord worden. We willen de kinderen ook leren zonder direct toezicht te werken. Kinderen moeten het verdienen om buiten hun lokaal te werken. Zo moeten ze binnen hun lokaal stil kunnen werken en moeten ze hun werk doorgaans ook afhebben. Kinderen die dat kunnen, krijgen een ‘pasje’.
Ook hier is sprake van vrijheid in gebondenheid. De kinderen kunnen werken op de gang, in het voorste en het achterste deel van de grote zaal en in het leegstaande lokaal. Ze zitten op een stoel aan een tafel. Als ze met bouwmaterialen werken, doen ze dat op een matje. In elke ruimte of op de matjes mogen maar twee kinderen per klas werken. De groep mag uiteraard groter zijn, als het om een groepsopdracht gaat. We verwachten dat de kinderen rustig werken en op hun gekozen werkplek zitten, totdat ze ermee willen stoppen; en dat ze zich uitsluitend aan hun taak wijden. Kinderen die met de computer werken doen dit zonder achtergrondmuziek. De kinderen laten de werkplekken opgeruimd achter. Leerlingen die naar een werkplek buiten het eigen lokaal gaan, tekenen dit af op een aftekenlijst. Na tien keer zijn de beurten voorbij en moeten ze wachten tot er een nieuwe lijst hangt. Hiermee bevorderen we, dat ze even vaak buiten de klas kunnen werken. We zien er met elkaar op toe, dat de kinderen binnen hun vrijheid handelen. Mocht dat niet het geval zijn, dan verspelen ze een extra beurt. Om ervoor ze zorgen, dat de kinderen niet snel afgeleid worden, hebben we schotten laten maken die tussen de tafels ingezet kunnen worden. Om die reden mogen de schotten ook in de klas gebruikt worden. Kinderen die samen willen werken, mogen hun tafels iets van de muur afhalen.
De nakijktafel en het nakijkenWij hechten grote waarde aan het zelf corrigeren door de kinderen. Dit geldt zowel voor opdrachten binnen de taak als opdrachten daarbuiten. Zelfcorrectie heeft een aantal voordelen:
In het algemeen geldt, dat
Groep 1 en 2
Groep 3De kinderen kijken hun extra werkbladen zelf na.
Groep 4
Groep 5
Groepen 6, 7 en 8
De inrichting van het lokaalHet meubilair van de kinderen staat in groepjes opgesteld. Daarbij is er rekening mee gehouden, dat de kinderen zich zonder te veel moeite door het lokaal kunnen bewegen.
DaltonkastIn ieder lokaal staan een of twee daltonkasten. In de kleutergroepen spreken we van werkkasten. Alles wat de kinderen zelf moeten pakken en opbergen staat in de daltonkast, zoals woordenboeken, lijmpotjes, scharen, portfolio’s en ander werkmateriaal. In de laatjes aan de linkerkant liggen de schriften. Hier moeten de kinderen hun (nagekeken) werk inleveren. In het laatje rechtsboven liggen de overblijfkaarten. Materiaal dat alleen maar voor de leerkracht bestemd is, hoort niet thuis in de daltonkast.
DaltonbordHet daltonbord is niets anders dan een whiteboard van een klein formaat. Op dit bord staat informatie, die voor de kinderen van belang is, zoals de maatjeskoppels, de taken van de klassendienst, evt. het dagrooster, maar ook kan aangegeven worden, welke kinderen op de gang werken.
SteunbladenAan de muur hangen steunbladen voor de kinderen. Ze kunnen dit redelijkerwijs van een afstand lezen. Dit kan ook de tijdbalk zijn.
PortfolioIn alle groepen gebruiken we het portfolio. Dit moet de ontwikkeling weergeven die een kind doormaakt. De kinderen hebben een eigen 23-ringsmap van huis meegenomen. Zo krijgt het portfolio immers een eigen karakter. De uitgekozen werkjes bewaren we in showtassen.
KleutersDe leerkrachten van de kleuters bewaren bij drie projecten, die over het jaar verdeeld zijn, alle werkjes. Na afloop van een project kiest het kind één werkje dat het in het portfolio wil doen. Mocht dit een driedimensionaal voorwerp zijn, dan maakt de leerkracht er een foto van.
Groep 3Omdat kinderen in groep 3 op veel gebieden een enorme ontwikkeling maken, bewaart de leerkracht eveneens drie keer per jaar de werkjes. Alleen nu mogen de kinderen drie werkjes per keer uitkiezen. Deze moeten wel verschillende leer- en vormingsgebieden omvatten. De kinderen voegen per keer bij één werkje een reflectie toe.
Groep 4 en hogerDe kinderen bewaren in het portfolio, een dossiermap, hangmap of anderszins:
Vlak voor de spreekavond zoekt iedere leerling zijn werkbladen en toetsen uit om mee naar huis te nemen. Het kind kiest een of twee bladen uit, die het mooiste zijn, of waar de vooruitgang het beste te zien is of waar een kind trots op is. Van één blad schrijft het een reflectie dat direct achter het blad wordt gevoegd. Als de leerkracht ervoor gekozen heeft alle werken tot het selectiemoment in het portfolio te bewaren, dan nemen we een tabblad om het tijdelijke en het gekozen werk van elkaar te scheiden.
Rapportage aan de oudersIn de eerste maand van een nieuw schooljaar wordt er in alle groepen een informatieavond verzorgd, waar de leerkracht van uw kind uitleg geeft over wat uw kind en u in het komende schooljaar kunnen verwachten in de nieuwe groep, zoals het (dalton)werken in de groep, huiswerk voor de hogere groepen, bijzondere projecten, de schoolregels, enz.
Algemeen
Groep 1 en 2
Groep 3 t/m 7
Groep 8
Zodra de uitslag van de cito eindtoets binnen is, horen de leerlingen de uitslag van de leerkracht. Bij een tegenvallende score nemen we contact met de ouders op, waarbij we de mogelijke consequenties van deze uitslag vertellen: a. plaatsing op de school van keuze, gezien de uitslag en het schooladvies b. afwijzing, gezien de uitslag en het schooladvies c. nader onderzoek, gezien de uitslag en het schooladvies. De school voor voortgezet onderwijs bericht de ouders over toelating.
KlassenmapBij ziekte moet een invaller zich snel kunnen oriënteren in een groep. Elke leerkracht draagt er zorg voor dat er in de klassenmap een A4-tje aanwezig is waarop globaal de manier van werken wordt uitgelegd. Zo ook een leerlingenlijst, de klassenregels, het weekoverzicht, een materiaaloverzicht, waaronder ook de plaats van de handleidingen.
De klassenmap bevindt zich in de klas en bevat:
In sommige groepen bestaat het klassenboek uit twee delen. Inhoudelijke gegevens bewaren we in een individueel dossier per kind.
Samenwerkend lerenSamenwerking tussen mensen is niet meer uit onze maatschappij weg te denken. Samenwerken moet je leren. Daarom besteedt de Warinschool structureel aandacht hieraan. Samenwerking is meer dan elkaar helpen. Bij samenwerkend leren is de samenwerking mede het doel van de opdracht. De koppels worden meestal door de leerkracht samengesteld.
Maatjes werkenVanaf januari groep 2 doen de kinderen aan maatjesleren. De leerlingen maken wekelijks een of meer opdrachten samen met een maatje dat door de leerkracht aangewezen is. Voor de kleuters en de leerlingen van groep 3 en 4 betreft het één opdracht per week. Daarna maken ze twee maatjesopdrachten per week. We streven ernaar de aard van de opdrachten af te laten wisselen. De leerkracht stelt de koppels samen, die op het daltonbord staan aangegeven. Op de weektaak geeft de leerkracht aan welke opdrachten in tweetallen gemaakt moeten worden. Dit kan van alles zijn: topografie, partnerdictee, tafels oefenen, begrijpend lezen, splitsoefeningen, wereldoriëntatie, voorlezen bij een schrijfopdrachten, som 1 bij rekenen, creatieve opdrachten, gezelschapsspelletjes, werken in hoeken bij de kleuters, werken met het woordenboek, woordspinnen maken, enz. We hanteren de volgende regels:
WerkvormenNaast het verplichte maatjeswerk hanteren we verschillende werkvormen. Zo werken de kinderen samen bij projecten van aardrijkskunde en natuur. We passen het tutorleren toe, waarbij we klassendoorbrekend werken. We kinderen werken samen met gym, waarbij ze zelf groepen kiezen. Met structureel coöperatief leren passen we de volgende werkvormen regelmatig toe: weekendcafé, tweetal-coach, mix, ruil en koppel, zoek de valse, zoek iemand die en placemat. Bij de kleuters wordt er ook samengewerkt in hoeken en door elkaar helpen bij praktische zaken.
De kinderen leren de volgende structuren:
Tutorleren/ tutorlezen:
ReflectieBij reflecteren stimuleer je de kinderen en jezelf na te denken bij wat ze doen, hoe ze het doen en hoe het beter kan. De kinderen behalen betere resultaten, als dit zowel voor, tijdens als na het werk gebeurt. We laten de kinderen ook schriftelijk reflecteren. Dat gebeurt op het moment waarop ze hun werkjes voor het portfolio selecteren. Daarnaast is in het nieuwe rapport een reflectieformulier opgenomen die door de kinderen zelf invullen. In de hogere groepen vullen de leerlingen eveneens een dergelijk formulier in, dat een plek achter het tabblad van het portfolio krijgt.
De voordelen van reflectie zijn legio: · Het kind krijgt inzicht in de eigen manier van leren; · Het krijgt inzicht in de oorzaak van een probleem, bijvoorbeeld waarom het niet geconcentreerd kan werken; · Het krijgt zicht op effectief werk- en leergedrag; · Het denkt na over zijn eigen werk en het bijbehorende proces; · Je kunt als leerkracht ander gedrag van een kind stimuleren; · Het geeft invulling aan de intrapersoonlijke intelligentie (= Het vermogen om te reflecteren, en op basis daarvan de juiste beslissingen te nemen. Mensen met een sterk ontwikkelde intrapersoonlijke intelligentie hebben zelfkennis. Ze weten wat ze willen, wat ze wel of niet kunnen en hoe ze beter kunnen worden op gebieden waarin ze nog niet goed zijn. Ze denken van binnen, in zichzelf en denken minder makkelijk wanneer er geluiden zijn of als er om hen heen wordt gepraat.; · Het bevordert het verantwoordelijkheidsgevoel; · Het kan de motivatie verbeteren; · De leerkracht hoeft minder te sturen en het gedrag te corrigeren; · De leersfeer in de klas verandert. · Leerlingen kunnen taakgerichter worden; · Het kind krijgt zicht op het eigen aandeel in zijn werk; · Het kind wordt minder afhankelijk van het oordeel van de leerkracht; · De leerling zal zichzelf steeds beter leren kennen; · Het zal zich beter leren motiveren; · Je kunt naar aanleiding van een reflectie regels opstellen met de klas; · Kinderen leren hun gevoelens te uiten; · Het helpt het kind bij het plannen van (het verloop van) de taak; · Kinderen leren hun tussendoelen bij te stellen · Leerlingen leren actief hun les af te ronden; · Het stimuleert kinderen te reflecteren op hun leerproces en hun verantwoordelijkheid; · De kinderen leren initiatieven te nemen. · Voor het team kan door reflectie het professionele leergedrag veranderen. Uit deze opsomming blijkt, hoe belangrijk reflecteren is.
Hoe wij reflecterenReflectie kan op verschillende manieren plaatsvinden. Het kan zowel individueel, in tweetallen, viertallen en met de hele klas. Reflecteren hoeft niet alleen mondeling, maar het kan ook schriftelijk. Er zijn drie soorten vragen: · De vraag die begint met Wat? (Wat gaan we doen deze week? Wat hebben we nodig? Wat doen we als we niet verder kunnen? Wat doen we als we klaar zijn?) · De vraag die begint met Hoe? (Hoe ziet ons werk er uit? Hoe zijn onze resultaten? Hoe hebben we problemen opgelost? Hoe hebben we nagekeken?) · De vraag naar de beleving. (Vond je het fijn om samen te werken?Vond je de opdracht leuk? Ben je tevreden over je werk? Hoe ging het deze week met je maatje?)
Zelf rapport invullenBij het verschijnen van het rapport vullen de kinderen zelf een reflectieformulier in. In het rapport van groep is het formulier integraal opgenomen. Groep 3 en de bovenbouw vullen een los blad in.
Het Daltonwerkboek is nog niet af, omdat we als school nooit uitontwikkeld zijn. |
|||||||||||||||||||||||